Niet zo… maar zo 10: Ra, ra, wie ben ik?

Lees voor met webReader

Op straat, in de trein, op een bijeenkomst… Een blinde wordt staande gehouden of op de schouder getikt: ‘Dag mijnheer X… Hoe gaat het?…’ of erger nog ‘Zeg nu eens wie ik ben?’

Blinden hebben inderdaad meestal een geoefend geheugen, ook voor stemmen. Maar om onverwacht en terwijl hij zijn aandacht voor tal van andere waarnemingen nodig heeft, een stem te herkennen uit drie of vier woorden, is wel wat veel gevraagd. Bovendien doet het zo nogal aan een baby-spelletje denken: ‘… En wijs nu eens wie mammi is!’.

Als u geen naaste familie of een zeer goede bekende bent, wiens stem onmiddellijk door de blinde herkend kan worden, maak u dan bij het aanspreken spontaan bekend: ‘Goede morgen mijnheer X, ik ben Y’.

Vond uw laatste ontmoeting al lang geleden plaats, of is er kans dat uw naam geen voldoende identificatie zal zijn (een gezicht herkent men nu éénmaal vlugger dan een naam) voeg dan een kleine toelichting toe: ‘U weet nog wel, wij hebben elkaar daar en daar ontmoet.’

Het is niet mogelijk visueel gehandicapten in het voorbijgaan of van op afstand te groeten met een hoofdknik of een handgebaar, zoals men dat zo vaak doet met andere bekenden. Toch vinden zij het prettig ook in deze vorm van gemeenschapsleven betrokken te worden. De hoofdknik of het handgebaar moet dan door een gesproken woord vervangen worden: ‘Goede avond mijnheer X… het is de wijkagent’, zodat de blinde weet dat de groet voor hem bestemd was en wie de begroeter was.

Print Friendly
Dit bericht is geplaatst in Educatief, Niet zo... maar zo, Prikbord. Bookmark de permalink.