Niet zo… maar zo 9: Geen taboe-woorden

Lees voor met webReader

Veel mensen durven tegenover blinden niet de woorden: zien, kijken of blind gebruiken. Men zegt dan: “Mijn oom is ook … eh,… zó” of “Mijn grootmoeder had dat ook”.

Wordt ongewild toch het woord zien of iets dergelijks gebruikt, dan raakt men van de wijs. Men begint te stotteren of put zich uit in verontschuldigingen: “Oh pardon… verontschuldig me… ik had er niet meer aan gedacht”. En dat, terwijl blinden zelf dikwijls over hun handicap grapjes maken. Ze gebruiken en aanhoren het woord blind als ieder ander woord. Ook spreken ze zelf over zien of aanverwante woorden, waarmee ze dan hun specifieke manier van zien uitdrukken: voelen, betasten, waarnemen: “ik heb dat boek gelezen” (in blindenschrift of als hoorboek). “Ik heb een heel mooi beeldje gezien” (gevoeld, betast). “Ja ik heb dat toneelstuk gezien” (gehoord).

Zeg dus gerust tot een blinde persoon: “Wil u dit model even zien?” terwijl u hem het bedoelde voorwerp, flesje, kledingstuk of wat dan ook in de hand geeft. Gebruik rustig de woorden blind of blindheid als ze in een gesprek voorkomen.

Totaal ongepast is natuurlijk zo iets als: “Bent u blind?… Helemaal blind?… U ziet dus niets?… Oh! Hoe verschrikkelijk! En bent u zo geboren?… Van een ziekte?… Van een ongeval dan?…”

Vergeet vooral niet dat blinden wel blind maar niet doof zijn: gefluisterde opmerkingen als: “Dat vind ik het ergste wat er is!” of “Dan was ik nog liever dood!” mag u eventueel binnensmonds voor eigen meditatie gebruiken, de blinden denken er zelf meestal heel anders over.

Print Friendly, PDF & Email
Dit bericht is geplaatst in Educatief, Niet zo... maar zo, Prikbord. Bookmark de permalink.